Column: Zeg jij “ja”, dan zeg ik “nee” en andersom

In het repetitielokaal was het koud. Erg koud. De verwarming deed zijn uiterste best om al druppelend en rammelend zijn reputatie te verbeteren, maar kwam niet veel verder dan een derde van de ruimte. Ik keek naar de rest van de kinderen om mij heen en bedacht me dat zij het nog kouder zouden moeten hebben dan ik. Of misschien toch juist warmer, gezien de gespannen gezichtjes over de nog te maken rolverdeling van het stuk. Geconcentreerd luisterden ze naar Theo. Over zijn ervaringen in het theater, over zijn manier van werken.

Theo legde uit dat hij graag volgens de Stanislavski-methode werkt. Stanislavski vond dat acteren niet ging over het spelen van een rol, maar over een personage benaderen door zo dicht mogelijk bij de realiteit te blijven. Om dat te bereiken was het volgens hem noodzakelijk om als acteur te putten uit persoonlijke, emotionele herinneringen.
Het moet eerst in het hoofd ronddwalen, dan in het lijf gaan resoneren zodat het dan in de onderbuik gaat borrelen. Denken, voelen, verlangen.

 

Ik kan over het geluid van de verwarming heen de hersens horen kraken. Wat gaat er door hun hoofden heen? Zouden ze allemaal Theo volgen in zijn gedachtegang? Of vraagt iemand zich af of Stanislavski een lekker ding geweest zou zijn? Of misschien is er iemand een ritme aan het zoeken in dat eindeloze getik van de verwarming!

Zelf dwaal ik ook even rond in mijn eigen gedachten. Tien jaar terug. Het is 2009 en ik repeteer met veertig anderen voor een familievoorstelling. De rolverdeling is nog niet gemaakt. Elk meisje wat in mijn groep rondloopt is een bedreiging en een potentiële wandelende hoofdrol. Ik zit op een plastic theaterstoeltje in het repetitielokaal. Mijn klamme benen plakken aan de stoel. Mijn toenmalige regisseur zit tegenover me op zijn regiestoel. Hij kijkt me niet aan, hij kijkt aandachtig naar zijn geheimzinnige notitieblokje. Ik probeer hem ook niet aan te kijken, om niet naar bevestiging te zoeken. We hadden de opdracht gekregen een Nederlandstalig nummer in te studeren om a capella te zingen. Volledig naïef als ik was en zonder enig theatraal inzicht, koos ik mijn favoriete Nederlandstalig nummer uit. Of anders verwoord: ik koos het meest verschrikkelijke nummer ooit uit om a capella te zingen: CD van jou, cd van mij, van – jawel – Acda en de Munnik.

De regisseur kijkt op, hij knikt. Ik zet in:
“Ruzie soms om alles en soms om van alles…?”
Verspreking.
“Mag ik alsjeblieft nog een keer?” Hij knikt weer.
“Zeg jij ja dan zegt zij ja en nee en…?”
Nog een verspreking.
“Sorry, mag ik alsjeblieft nog één keer?”

Hij heeft moeite om zijn lach in te houden, geloof ik. Na uiteindelijk een stuk of vijf keer verkeerd in te zetten stond het huilen mij nader dan het lachen, en bij de regisseur precies andersom. Naast dat ik mijn kans op ook maar een willekeurige rol heb verpest bij de regisseur, zie ik ook mijn medespelers van minstens twee jaar ouder nog net niet “sukkel” fluisteren tegen elkaar…

Een week later wordt de rolverdeling bekend gemaakt. “Cast A. De rode prinses: Sofie!”
Knikkende hoofden. “Ja, jaaa, dat hadden we zeker verwacht”. “Cast B: Berneja”. Draaiende hoofden. “Wat? ZIJ?!”

Ja, ík ja. Ik besefte me dat toneelspelen soms helemaal niet gaat over je uiterste best doen om iets te laten zien wat je niet bent, maar om altijd te laten zien wat je wel bent. Het ging niet om het falen op dat moment, het ging erom wat ik ermee deed. En blijkbaar liep die Rode prinses al langer ergens in mij rond zonder dat ik het zelf zag.

Ik zit weer in dat koude repetitielokaal naast Theo en kijk rond naar deze leerlingen. Zoveel talent. En zo eigen. En er staat ze nog zoveel te wachten. “Als ze maar dicht bij zichzelf blijven”, hoop ik er nog achteraan. Dan heeft die Stanislavski – en Theo – het misschien wel bij het goede eind.

Wie heeft dit geschreven dan?
Ik ben Berneja Voskamp en ik ben naast schrijver van deze column betrokken als regieassistent bij beer. Naast het assisteren van Theo bij het regisseren, studeer ik Writing for performance aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Inmiddels alweer een tijd geleden speelde ik in verschillende producties van Hofplein Rotterdam en bij Jongerentheater Quint. Nu schrijf ik en maak ik voornamelijk theater. Volgend jaar studeer ik af.